Lamello verbindt. Met innovatieve verbindingstechnologieën verbinden ze in de eerste plaats meubelonderdelen, maar ze willen ook een verbindende schakel zijn tussen het onderwijs en de arbeidsmarkt. Dat doen ze met gratis, praktijkgerichte lessen, die leerlingen laten proeven van moderne houtverbindingen.
Investeren in de schrijnwerkers van morgen. Dat is de missie die Lamello voor ogen houdt. “Met onze opleidingen willen we de realiteit van het werkveld rechtstreeks in de klas brengen”, vertelt Marc Demares, CEO van Lamello Belgium. “De lessen sluiten nauw aan bij wat leerlingen later nodig hebben.”
“Er zijn twee modules voor leerlingen uit de derde graad van het secundair onderwijs”, vult Maxime Dumon aan, die als commercieel technisch adviseur ook de samenwerking met de scholen in goede banen leidt. “In de eerste module demonstreren we ons P-systeem. We tonen verschillende verbinders, maken infrezingen en leggen uit hoe de machine werkt. In de tweede module gaan de leerlingen zelf aan de slag. Ze frezen verbindingen voor een telefoon- en koptelefoonhouder en leren daarbij een hoekverbinding, T-verbinding en verstekverbinding maken. Daarnaast kunnen scholen aan een verlaagd tarief onze machines en accessoires aankopen, om op een haalbare manier hun atelier te moderniseren.”
“We zijn in 2021 met deze lessen gestart vanuit de overtuiging dat de leerlingen van vandaag, de schrijnwerkers van morgen zijn”, verduidelijkt Demares.
“Door nu al te investeren in hun opleiding, zorgen we ervoor dat ze onze producten kennen wanneer ze later in de sector aan de slag gaan.”
“Dit soort opleiding is volgens ons essentieel voor de toekomst van het vak”, stelt Dumon. “Als leerlingen al tijdens hun opleiding kennismaken met moderne systemen en technieken, zijn ze beter voorbereid op de realiteit in de sector.”


Lamello heeft zijn aanpak doorheen de jaren verfijnd. “We zijn gestart met een vogelhuisje, maar tegenwoordig maken de leerlingen een telefoon- en koptelefoonhouder. In het begin doen ze daar soms lacherig over, maar achteraf zijn ze meestal echt trots op wat ze hebben gemaakt”, zegt Dumon.
Ook de didactische aanpak werd gaandeweg bijgestuurd. “Het is een heel brede richting. Niet iedereen is even geïnteresseerd in interieurbouw, sommigen willen richting buitenschrijnwerk evolueren. Ik heb geleerd dat ik het rustig moet aanpakken en niet mag veronderstellen dat de leerlingen al veel voorkennis hebben. Veel vragen stellen helpt ook om ze betrokken en alert te houden. Aan het begin van mijn les geef ik een massief houten staal met een Tenso-verbinder door. Als ze die niet meteen kunnen opentrekken, is het ijs gebroken en heb ik meestal de hele groep mee. Zestien- en zeventienjarigen zijn nog echte speelvogels, maar ze tonen gelukkig wel respect.”

“Wij merken dat leerkrachten en scholen heel gemotiveerd zijn om hun leerlingen zo goed mogelijk op te leiden, maar nieuwe trends en technologieën komen nog te weinig aan bod. Bedrijven kunnen daar echt het verschil maken”, vindt Demares.
“Het is een prachtige, maar ook een dure richting, omdat ze veel machines en materiaal vereist. Scholen moeten voortdurend keuzes maken, en dat zet zowel de onderwijskwaliteit als de leerkrachten onder druk,” merkt Dumon.
“Veel scholen werken noodgedwongen nog met oudere machines en materialen. Je kan er wel meubels mee maken, maar niet op de manier waarop dat vandaag in bedrijven gebeurt. Er gaapt een kloof tussen wat leerlingen op school leren en wat de arbeidsmarkt van hen verwacht. Meer stage zou een stap in de goede richting zijn. Leerlingen krijgen in het vijfde en zesde middelbaar amper twee à drie weken stage. Je leert het vak pas echt kennen als je een project gedurende zijn volledige looptijd kan meevolgen: van productie tot plaatsing. Het houtonderwijs moet nog dichter bij de realiteit van het beroep aansluiten.”
“Ik heb ook de indruk dat de basiskennis langzaamaan verdwijnt”, zegt Demares. “Het onderwijs is de voorbije jaren steeds meer geëvolueerd richting productiearbeid, ten koste van de finesses van het vak zelf. Je kan dan wel machines bedienen, maar mist het nodige inzicht.”
“Bovendien heeft lang niet elke schrijnwerker een CNC-machine. Ongeveer zestig procent van de schrijnwerkers die ik bezoek, werkt nog manueel”, voegt Dumon toe. “Met zoveel diversiteit in de sector is het moeilijk om leerlingen realistisch voor te bereiden op de arbeidsmarkt.”
Ook in bedrijven is de nood aan praktijkgerichte opleiding groot, al blijft het een uitdaging om er tijd voor vrij te maken. “Dat proberen we op te vangen door ter plaatse, in hun atelier, opleidingen te geven. We bekijken dan samen hoe het P-systeem hen het best kan ondersteunen. Door in te haken op een lopend project of een herkenbaar probleem wordt de opleiding concreet en meteen toepasbaar. Investeren in opleiding vraagt wat tijd, maar vaak beseffen bedrijven na afloop dat ze die tijd snel terugwinnen doordat ze nadien sneller werken.”